Wandelroute

Stad van de norber­tijnen

Stad van de norber­tijnen

Diest

De invloed van de norbertijnen kun je niet wegvlakken uit DIEST. Sinds 1163 leidde de norbertijnenabdij van Tongerlo de stad op geestelijk vlak. Maar ook de paters van de abdij van Averbode lieten er sporen na. In deze STADSWANDELING ontdek je de vele HISTORISCHE PARELS in het oude centrum van deze boeiende stad aan de Demer.

Afstand 2,0 km
Duur 0,8 uur
Vertrekpunt Grote Markt in Diest
PARKING Gratis parkeren bij Provinciedomein Halve Maan, Omer Vanaudenhovelaan in Diest en parking Citadel, Leuvensestraat in Diest. Er is een mindervalidenparking op de Grote Markt
OPENBAAR VERVOER NMBS-station Diest of bushalte Leuvensepoort
Knooppunten Grote Markt – Guido Gezellestraat – Kattenstraat – Henri Verstappenplein – Koestraat – Veemarkt – Bruidstraat – Schaffensestraat – Koning – Albertstraat – Oscar – Nihoulstraat – Refugiestraat – Demerstraat – Kaai
Aard van de weg Rolstoel- of buggyvriendelijk
Niveau Gemakkelijk
Facebook LinkedIn WhatsApp
PDF
GPX
Honger of dorst tijdens je tocht? Bij heel wat van onze lokale ondernemers kan je voor je consumptie stempels verzamelen. Heb je er 6, dan maak je kans om een feestarrangement te winnen ter waarde van 600 euro. Vergeet niet je stempelkaart te vragen!
Alle info vind je hier

Het startpunt van de wandeling ligt pal in het centrum van Diest aan de Grote Markt (knooppunt 96). De Sint-Sulpitiuskerk ontstond wellicht al in de 7de eeuw toen de heilige Remaclus (600-673) de kerk stichtte en deze noemde naar zijn leermeester de H. Sulpitius van Bourges. In de 12de eeuw stond er een relatief grote romaanse kerk op de huidige plaats. Vanaf 1163 werd ze bestuurd door de norbertijnen van Tongerlo. In 1312 is er voor het eerst sprake van de bouw van een nieuwe kerk. Omdat de oude kerk zolang mogelijk in gebruik moest blijven tijdens de werken, werden de muren van de nieuwe kerk errond gebouwd. Wanneer een groter geheel van het nieuwe gebouw afgewerkt was, werd het oude deel afgebroken. 

De Franse bouwmeester Pierre van Savoye ontwierp de kerk zoals de Franse gotische kathedralen: met hoog opengewerkte muren ondersteund door luchtbogen en steunberen. Hij startte in 1321 met de eerste bouwfase, het koor. Hij gebruikte hiervoor de lokale donkerbruine ijzerzandsteen die nog duidelijk zichtbaar is in de buitengevel van het koor. 

De kerk werd versierd met schilderingen en beelden, waaronder de 13de-eeuwse Onze-Lieve-Vrouw van Diest. Het beeld, dat zich nu nog steeds in de kerk bevindt, werd volgens de legende gevonden in de Demer door de inwoners van Molenstede. Pelgrims kwamen van heinde en verre om dit mirakelbeeld te vereren en maakten met hun giften de bouw van de kerk mee mogelijk.

In het hoogkoor van de Sint-Sulpitiuskerk bevindt zich het Museum voor Religieuze Kunst. Voor de 700ste verjaardag van de kerk kan je in het museum de expo Zeven eeuwen Sint-Sulpitiuskerk bezoeken. De beiaard uit 1672 is de grootste nog overgebleven Hemony-beiaard ter wereld: de Stradivarius voor klokken en beiaarden.


Je start de wandeling langs de rechterzijde van de kerk waar je de eerste straat op je rechterzijde neemt: de Guido Gezellestraat. Halverwege op je rechterkant merk je de Sint-Barbarakapel op. Een vroom echtpaar uit Diest stichtte hier in 1419 een kapel en droeg het bestuur over aan de wijkbewoners, die er ook begraven werden. De Sint-Barbarakapel was tevens het gebedshuis van de Sint-Barbaragilde, één van de drie belangrijkste schuttersgilden van de stad. De Sint-Barbaragilde gebruikte vuurwapens en werd omstreeks 1444 opgericht, de periode dat vuurwapens een grote verspreiding kenden. Sint-Barbara was de patrones van de gevaarlijke beroepen en het hanteren van een vuurwapen is in die tijd niet zonder risico.In 1614 werd de kapel overgedragen aan de paters augustijnen die in het verlengde van de kapel een klooster bouwden, het huidige kruisherenklooster. De kapel werd al gauw te klein als kloosterkerk en leidde in 1656 tot de bouw van een nieuwe kerk in rode baksteen met een voet en decoratieve omlijstingen in ijzerzandsteen. Zeventien jaar later werd de nieuwe kerk ingezegend door de abt van Averbode. Een speels klokkentorentje met knobbelspits bekroont de koorkap. Hoewel de kerk is uitgevoerd in barokstijl, blijft het toch een vrij sober gebouw, ook aan de binnenkant. De enige uitzondering hierop is het altaar, maar hier is een verklaring voor. Dit altaar in een uitbundige barokstijl met de beelden van de Heilige Maagd, de Heilige Augustinus en de Heilige Norbertus werd in 1651 gemaakt door de Antwerpse kunstenaar Pieter Verbruggen voor de abdijkerk van Averbode. Eens het altaar klaar was, bleek het echter niet te passen in het interieur van de nieuwe abdijkerk van Averbode die gebouwd werd tussen 1664 en 1672. De zus van de prior van de augustijnen kocht het altaar daarom over en schonk het aan de kloosterorde van haar broer, die het in de Sint-Barbarakerk plaatste.
Via de Kattenstraat komen we aan de voet van de Warandeberg, een van de ijzerzandsteenheuvels die kenmerkend zijn voor de overgang van de Zuiderkempen naar het Hageland. Halverwege het park aan de kapel Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangen neem je links de Bruidstraat naar de Onze-Lieve-Vrouwekerk. De eerste melding over deze plaats dateert van 1211. Men spreekt dan over een kapel gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw, gelegen aan de voet van de Warande en buiten de stadskern. In 1233 schonk heer Arnoldus IV dit gebouw en de tienden aan de norbertijnenabdij van Tongerlo. In de overeenkomst moesten de norbertijnen de kapel bedienen. De abdij maakte in 1253 van de kapel een nieuwe parochie en splitste ze zo af van de Sint-Sulpitiusparochie. Ondertussen was de bouw van een grotere kerk al bezig ter vervanging van de kapel. Het hoofdaltaar werd in 1255 gewijd en de kerk in 1287, ook al was ze nog niet af. De werken gingen zelfs de volgende eeuw nog door. De kerk kende heel wat tegenspoed. Tijdens de bezetting door de Geuzen in 1580-1583 liep ze enorme schade op: door de diefstal van het ijzer en het koper stortte onder andere de torenspits in. De herstelling duurde decennia. Dankzij giften van Diestenaren werd de kerk in de 17de en 18de eeuw verder verfraaid. Zo kan je een altaar met een beeld van Norbertus als bisschop bezichtigen. De witheren van de abdij van Tongerlo bleven de kerk bedienen tot aan de Franse Revolutie. De kerk ging terug open voor de parochianen in 1800. 
Via de winkelstraat (Koning Albertstraat) keer je terug richting Sint-Sulpitiuskerk. Toen in 1444 het koor van de Sint-Sulpitiuskerk nog steeds niet voltooid was, vonden de kerkmeesters het welletjes geweest. Het kooreinde werd afgesloten met een voorlopige baksteenmuur en alles werd overdekt. De bouw van de andere straalkapellen van het koor werd verplaatst naar een latere datum, maar zou nooit gerealiseerd worden. Vandaar het onafgewerkte uitzicht van de kerk aan de koorzijde.
Sinds 1457 werd de Sint-Sulpitiuskerk bestuurd door een kapittel van twaalf kanunniken (seculiere geestelijken) met aan het hoofd een proost van de norbertijnenabdij van Tongerlo. In de 16de eeuw werd als verblijfplaats voor de proost tegenover de Sint-Sulpitiuskerk in de Cleynaertsstraat de proosdij gebouwd. Hier verbleef de proost, samen met zijn huishouding. Er werden ook gastenkamers voorzien voor paters tijdens hun bezoek aan Diest. In de 18de eeuw werd de Proosdij verbouwd en kreeg het gebouw zijn huidige classicistische voorgevel. 
Op het einde van de Oscar Nihoulstraat neem je links de Refugiestraat. Ze dankt haar naam aan de refugehuizen van de abdijen die er gebouwd werden. Deze dienden in oorlogstijd als toevluchtsoord binnen de veilige stadswallen of als verblijfplaats van de vertegenwoordiger van de abdij in de stad. Je passeert eerst de refuge van de norbertijnen van Tongerlo, gelegen langs de Verversgracht en zichtbaar via de Brouwersstraat of via de doorgang in het lange gele gebouw in de Refugiestraat 17. Dit toevluchtsoord draagt de naam ’t Spijker, wat verwijst naar het Latijnse woord spicarium of graanzolder. Tussen het refugehuis en de proosdij was een bruggetje over de Verversgracht zodat de norbertijnen van het ene gebouw naar het andere konden zonder zich op straat te begeven. De kloosterorde had als geestelijk bestuurder van de stad het recht de zogenaamde tienden (belasting) te heffen. Deze tienden werden onder andere in graan betaald. De vele vensters en luiken verwijzen nog naar deze functie als graanopslagplaats. In het Spijker zetelde ook het Hof van Tongerlo: een lagere rechtbank die zich bezighield met het beheer van de goederen van de norbertijnen van Tongerlo binnen de stad. Op het einde van de 18de eeuw werd het gebouw door de overheid aangeslagen en openbaar verkocht en werd het een privéwoning. Vandaag is het een prachtig hotel. 
Verderop in de straat, huisnummer 8, valt zeker de prachtige gevel van de refuge van Averbode op. In de late middeleeuwen was het maar een klein gebouw, maar aan het begin van de 16de eeuw liet de norbertijnenabdij van Averbode haar refugehuis grondig verbouwen. Ze kocht een aantal aangrenzende eigendommen op, waaronder het refugehuis van de commanderij van Bekkevoort, en liet het gebouw met de trapgevel bouwen door de toenmalige architect van de Sint-Sulpitiuskerk tot wat het nu is. Het geheel werd constant verhuurd als herberg en brouwerij, maar de waard moest er wel voor zorgen dat de ruimte ter beschikking stond van de paters in tijden van nood. De refuge bleef bestaan tot aan de Franse Revolutie.
Via de Demerstraat keer je terug naar je startpunt. De Demer was vanaf Halen een bevaarbare rivier voor kleinere schepen en vanaf Diest voor grotere schepen. Via Aarschot, Werchter en Mechelen kon je zo naar Antwerpen varen. De goedkoopste wijze van transport was via het water, al ging het erg traag. De Demer slibde ook vaak dicht en meanderde sterk. Toch was er veel vervoer op de Demer. De lading varieerde van graan, bouwmaterialen, brandstoffen tot wijn. De kaai was één van de aanlegplaatsen voor boten, waar ook de bouwmaterialen, beiaardklokken en kunstwerken voor de Sint-Sulpitiuskerk toekwamen. Op de kaai was al sinds de 13de eeuw een schipbrug. Een deel van het brugdek kon weggenomen worden zodat de goederen in het ruim van het schip gestort konden worden. In de jaren 1960 was de Demer in Diest een open riool geworden die bij hevig regenweer de stad onder water zette. Het stadsbestuur besliste daarom de Demer rondom de stad te leiden en vulde de rivierbedding op met zand en bouwafval en legde bovenop straten en parkeerplaatsen aan. Volgens heel wat Diestenaren raakte de stad zo haar kloppende hart kwijt. In 2006 werd beslist om de Demer terug door de binnenstad te laten lopen. De werkzaamheden startten in 2012 en duurden vier jaar. Door de aanleg van een gescheiden rioolstelsel bevat de nieuwe rivier nu enkel nog grond- en regenwater. Het waterpeil kan worden aangepast – met een schuivensysteem en wachtbekkens – om wateroverlast te vermijden. De Kaai heeft daarmee ook een vernieuwde look gekregen. Een deel van de historische kaaimuur en de paardentrap (een hellend vlak) werden gereconstrueerd.